Stichting Privacy First heeft aangekondigd in hoger beroep te gaan tegen de Nederlandse wetgeving rondom ANPR-cameratoezicht (Automatic Number Plate Recognition). De stichting stelt dat deze wetgeving in strijd is met het Europees privacyrecht en dat de huidige praktijk leidt tot een onrechtmatige massale opslag van kentekengegevens.

De ANPR-wetgeving maakt het sinds 2019 mogelijk om kentekens en locaties van miljoenen voertuigen in Nederland gedurende vier weken centraal op te slaan in een politiedatabase. Dit gebeurt onder meer voor opsporing en vervolging, ongeacht of de betrokken personen verdacht worden van een strafbaar feit. Privacy First noemt deze aanpak disproportioneel, onnodig en ineffectief, en wijst op het ontbreken van adequaat toezicht en het risico op misbruik. Volgens de stichting vormt dit een ernstige privacyschending die niet past binnen een vrije democratische rechtsstaat.

De rechtszaak richt zich met name op de opslag van zogenaamde "historische" ANPR-data, ook wel "no hits" genoemd, die vooral betrekking hebben op onschuldige burgers. Privacy First benadrukt dat dit moet worden onderscheiden van de politiepraktijk waarbij kentekens van verdachte personen, de zogenaamde "hits", worden gebruikt voor opsporing en vervolging.

In 2021 vond al een kort geding plaats, waarin de rechtbank Den Haag oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang. Vervolgens werd de zaak voortgezet als bodemprocedure, die door Privacy First werd verloren. Nu is hoger beroep ingesteld bij het Hof Den Haag, met een zitting gepland op 9 juli 2026. Mocht ook dit beroep worden afgewezen, dan overweegt Privacy First de zaak voor te leggen aan de hoogste Europese rechters. Meer informatie is te vinden op de website van Privacy First.